maandag 21 november 2011

Onderweg

Toen ik klein was, hadden mijn ouders nog geen auto. Zij hadden zelfs nog geen rijbewijs. Nu ben ik nog niet zó oud dat je zou kunnen zeggen: dat hoort bij die tijd. Al mijn vriendinnetjes hadden ouders met rijbewijs en auto. Zelfs mijn opa's en oma's, hoewel de oma's zich altijd liever lieten rijden.
Mijn ouders vonden een auto overbodige luxe. Of het was voor het milieu, of om het geld weet ik eigenlijk niet, ik denk een combinatie van die twee. Het resultaat van deze denkwijze was een noodzaak om snel te leren fietsen. En als we naar opa en oma in Zwolle gingen twee kaartjes en vier railrunners.Ik was altijd bang voor de trein, volgens mijn ouders vanwege de instap, volgens mij omdat ik altijd bang was dat de trein weg zou rijden terwijl een deel van de familie in de trein zat en een ander deel moest achterblijven. In mijn ogen was dit een onomkeerbare scheiding, dat de trein elk half uur vertrok kwam nog niet in mij op. Deze angst werd nog eens extra gevoed door het feit dat pappa in de rij ging staan om onze kaartjes te kopen (dat is dus wel echt old skool) en wij alvast op het perron wachtten op de trein en soms zelfs al instapten voordat wij pappa tussen de mensen zagen opduiken.
Als we eenmaal met z'n allen in de trein zaten was het goed. Leuk ook, hoewel Zwolle toch meestal best ver was. NS hielp ons altijd een beetje met van die leuke kaarten en koeientellers en mamma als ex-juffie had altijd wel iets bij zich waarmee wij ons konden vermaken. Hoewel ik graag wil beweren dat wij (en dan vooral ik) model kinderen waren, kan ik me nu toch goed voorstellen dat wij voor mede-passagiers als irritante kleine k*t kinderen werden gezien. Zelf vonden wij dat natuurlijk allerminst. Wij vonden de reis een beleving. Een traktatie. Het gezellig maken met z'n allen op de bank. Als we niet al te snel hoefden over te stappen mochten we onze jas uit doen. En wat was er veel te zien uit het raampje. En als we dan allemaal die ijzingwekkend grote sprong over de diepte bij het uitstappen weer hadden overleeft, en iedereen was uit de trein op het moment dat hij weer verder reed, was het één groot feest. Een afsluiting van een avontuur.
Nu stap ik drie keer per week in de trein. Drie keer heen, drie keer terug, elke keer mét overstap. En het is niet eng. Het is niet spannend. Het is niet speciaal. Het is gewoon, vervelend zelfs. En dat is misschien maar goed ook, want nu is er geen mamma meer die mijn hand (ietwat gepikeerd) vast houdt en geen pappa meer die mij de trein in tilt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen