woensdag 9 november 2011

Jonguh

Al zo lang ik me kan herinneren klaagt men over de veranderende samenleving. Jongeren hebben geen respect meer voor ouderen. Jongeren hebben geen manieren meer. Inmiddels is naar mijn mening iedereen onder de 50 inmiddels een jongere geworden. Men staat niet meer op voor ouderen in de bus. Men stapt een trein in zonder eerst de mensen uit te laten stappen. Men zegt geen dank je wel meer, gaat alleen voor zichzelf en is ronduit asociaal.
Gisteren woonde ik een lezing bij van Ronald Giphart over het boek Het leven is verrukkulluk van Remco Campert. Hij leidde het boek in door wat persoonlijke verhalen te vertellen over zichzelf en over zijn relatie met Campert. En hij probeerde het boek in zijn tijd te plaatsen door ons iets te vertellen over de jaren '50 en de uit de jaren '60 voortvloeiende vrijheden van jongeren. Deel van zijn verhaal ging over de Nozems. En eigenlijk is het sinds die ouderwetse hangjongeren er alleen maar op achteruit gegaan. Voelen we ons eigenlijk nog wel veilig op straat? Als het donker is en er niemand anders meer op straat rond hangt dan dat groepje met hun scooters, petjes, capuchons, peuken maar wat staat de lummelen, praten (vroeger: tegenwoordig pingt men elkaar op de iPhone, extra efficiënt dus) en bij voorkeur dingen vernield en een grote rotzooi maakt.





Gisteren zat ik in de bus. We stonden op het station, ik moest iets verder. In mijn ooghoek verscheen een lang, zwaaiend voorwerp. Het duurde even voor ik me realiseerde wat het was. Het was een stok die hoorde bij een meneer met ogen die duidelijk te kennen gaven niet zo goed dienst te doen als die meneer waarschijnlijk had gewild. De meneer tastte met zijn stok het eind van het perron af in de hoop niet tegen een bus aan te lopen, of om er door een overreden te worden. Deze meneer voelde zich duidelijk niet zeker, ook niet met zo'n magische stok. Hij bewoog zich slechts langzaam voort, terwijl hij verwoed met zijn stok heen en weer zwaaide.
Ik ben kennelijk een denker, en geen doener. Ik dacht, mijmerde. Totdat ik opschrok van een vlotte jongeman. Type hangjeugd. Marokkaan, coupe-militair en  met zo'n jas, die zijn schouders extra breed maken. Hij haakte zijn arm in de arm van die meneer en vroeg hem waar hij heen moest, welke bus hij moest hebben. De man schrok op. Hij had hem niet gezien, maar waarschijnlijk ook niet verwacht. Hij liep met de man naar onze bus, zei hem daar te wachten, stapte de bus binnen en vroeg aan de chauffeur zijn bestemming. Toen die bleek te kloppen met de bestemming van de meneer, hielp hij hem de bus in, stapte weer uit en liep weg. Gewoon zo. Alsof het zo hoorde. Hij schaamde zich niet. Hij was niet trots. Zo hoorde het, zo was hij opgevoed, zo was hij. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen